“Denkend aan Holland
zie ik breede rivieren
traag door oneindig
laagland gaan,
rijen ondenkbaar
ijle populieren
als hooge pluimen
aan den einder staan.”
De eerste regels van het gedicht van Marsman laten zien dat zoet water onlosmakelijk verbonden is aan Nederland. Ongeveer 18% van Nederland bestaat uit water en 14% uit zoet water. Zoet water is belangrijk omdat het leven mogelijk maakt op celniveau, zuurstofproductie ondersteunt, voedselproductie mogelijk maakt, klimaat helpt reguleren en biodiversiteit ondersteunt. Over het laatste willen we het hebben: de relatie tussen biodiversiteit en zoet water in Nederland, de bedreigingen daarvan en de kansen.

Wat heeft zoet water met biodiversiteit te maken? Veel. Bijvoorbeeld minder dan 1% van al het water op aarde is beschikbaar zoet water, maar daarin leeft ongeveer 10% van alle bekende soorten op aarde. In Nederland is dat vergelijkbaar.
Ongeveer 40% van de biodiversiteit in zoet water in Nederland bestaat uit bacteriën, microscopische algen en plankton. Deze vormen de basis van alle voedselketens. Circa 20% wordt gevormd door waterplanten en macro-algen, 20% door kleine dieren, 10% door vissen en tenslotte 10% door grotere dieren zoals de groene kikker, blauwe reiger en otter. De grotere dieren staan bovenin de voedselketen en zijn vaak indicatoren van een gezond ecosysteem.
Wat zijn de belangrijkste bedreigingen voor biodiversiteit in zoet water? Aan de hand van de IPBES drivers willen we hier voorbeelden van geven. De IPBES drivers zijn de belangrijkste oorzaken (drivers) van biodiversiteitsverlies en veranderingen in ecosystemen, zoals benoemd door het Intergovernmental Science-Policy Platform on Biodiversity and Ecosystem Services (IPBES).
IPBES onderscheidt 5 directe drivers:
- Verandering in land- en zeegebruik
Bijvoorbeeld ontbossing, verstedelijking, landbouwuitbreiding en bodemafgraving. Dit is wereldwijd vaak de grootste driver. In relatie tot zoet water in Nederland gaat het ook over kanalisatie en dammen waardoor habitatsverlies optreedt.
- Directe exploitatie van organismen en andere natuurlijke bronnen
Overbevissing, jacht, houtkap en overoogst van planten en dieren. Het overmatig onttrekken van zoet water valt hier ook onder.
- Klimaatverandering
Veranderingen in temperatuur, neerslag, zeespiegel en extreme weersomstandigheden die soorten en ecosystemen beïnvloeden.
- Vervuiling
Denk aan stikstofdepositie, pesticiden, plastic, chemicaliën en nutriëntenvervuiling.
- Invasieve uitheemse soorten
Soorten die van buiten een ecosysteem komen en inheemse soorten verdringen, zoals de Japanse duizendknoop of de Amerikaanse rivierkreeft.
Eerste driver – verandering land- en zeegebruik
De eerste driver is meteen interessant. Want wat je met land doet, bepaalt hoe water stroomt, hoe het wordt vastgehouden en hoe schoon het blijft.
Als regenwater minder goed de bodem in kan stromen door bijvoorbeeld verstedelijking of intensieve landbouw, krijg je een grotere kans op overstromingen of minder aanvulling van grondwater. Een overstroming kan positief zijn voor de biodiversiteit, denk aan uiterwaarden, maar een extreme of onnatuurlijke overstroming is dat vaak niet. Voldoende grondwater is essentieel voor biodiversiteit. Grondwater kun je zien als een verborgen watervoorraad die natuur in leven houdt wanneer er weinig regen valt. Het houdt planten en dieren in leven en het voedt beken, rivieren en wetlands.
De Veluwe bijvoorbeeld bestaat vooral uit zandgronden en stuwwallen. Regenwater zakt daar snel diep de bodem in en vormt een grote grondwaterbuffer. Onderzoek laat zien dat vooral de omzetting van heide naar dennenbos historisch een grote daling van de grondwateraanvulling heeft veroorzaakt op de Veluwe. Ander gebruik van het land heeft een rechtstreekse invloed gehad op het grondwater en daarmee op de biodiversiteit.
Tweede driver – directe exploitatie
Hier is het verband met water direct voor overbevissing. De palingstand is een duidelijk voorbeeld. Palingen planten zich maar eenmaal voort. Als veel volwassen palingen worden gevangen voordat ze terug naar zee trekken om te paaien, komen er minder nieuwe jonge palingen terug. Het voortplanten van de paling als trekvis is verder afhankelijk van waterverbindingen. In Nederland zijn echter veel barrières opgeworpen in de loop van de tijd: sluizen, gemalen, stuwen en dammen. Nederland heeft tegenwoordig ongeveer 60.000 stuwen, gemalen en sluizen. Sinds de jaren 60 is er meer dan 90–95% achteruitgang geweest in de palingstand. Onder andere door ruilverkaveling en efficiënter waterbeheer werden steeds meer wateren afgesloten voor vrije vismigratie.
Het onttrekken van zoet water in Nederland is een bedreiging om in de gaten te houden. De Rijn is een belangrijke aanvoer van zoet water. Hoewel niet verwacht wordt dat de aanvoer vermindert de komende decennia, wordt de aanvoer wel minder stabiel over het jaar. Smeltende gletsjers zorgen voor meer water, maar zijn, net als blijvende sneeuw op bergen, een natuurlijke opslag en daarmee buffer voor de warme, droge zomers. Regenval als bron van zoet water wordt met het stijgen van de temperatuur ook volatieler.
Het gebruik van zoet water in Nederland is grofweg 50% voor industrie, 25% voor huishoudens, 15% voor landbouw en 10% voor doeleinden zoals het koelen van energiecentrales. Hoewel in Nederland veel zoet water aanwezig is, kan in droge zomers toch druk op ecosystemen ontstaan.
Derde driver – klimaatverandering
Klimaatverandering en water zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Opwarming van de aarde versterkt de waterkringloop. Met hogere temperaturen verdampt meer water uit bijvoorbeeld rivieren, bodem en planten. Dit geeft onder andere een drogere bodem.
Warmere lucht kan meer waterdamp bevatten. Dit betekent langere droge periodes, maar intensere buien wanneer het regent. Droogte en overstromingen kunnen het gevolg zijn.
Door smeltend ijs en opwarming van oceaanwater stijgt de zeespiegel. Voor Nederland heeft dit grote gevolgen voor kustbescherming, verzilting van grondwater, duinnatuur en zoetwaterbeschikbaarheid.
Warmer oceaanwater leidt ertoe dat soorten gaan trekken. Bijvoorbeeld in de Noordzee verschuiven vissoorten steeds verder naar het noorden. Verder kan warmer oceaanwater minder zuurstof oplossen met stress voor het ecosysteem als gevolg. Het bleken of zelfs sterven van koraal is hier een voorbeeld van.
Bij warmer zeewater heb je bovendien gevolgen voor plankton als basis van de voedselketen. Warm oppervlaktewater mengt minder goed met koud diep water. Daardoor komen er minder voedingsstoffen (zoals nitraat en fosfaat) omhoog. Minder nutriënten betekent vaak: minder grote planktonsoorten en meer kleine soorten, lagere totale productie.
Het gaat niet alleen om zeewater. In Nederland neemt door warmer water en een langer groeiseizoen de kans op blauwalgenbloei in binnenwateren toe. Dat is slecht voor biodiversiteit, omdat vissen en andere waterdieren zuurstoftekort kunnen krijgen.
Vierde driver – vervuiling
Water is vaak de plek waar vervuiling uiteindelijk terechtkomt. We hebben het dan over vervuiling door chemicaliën, overmatige voedingsstoffen zoals stikstof en fosfaat, plastic, medicijnresten en olie. In de 20e eeuw werd de Rijn sterk vervuild door industrie, landbouw en steden. Lozingen van chemicaliën en afvalwater zorgden voor massale vissterfte en verdwijning van gevoelige soorten. Sinds de jaren ’80 is er veel verbeterd door internationale samenwerking, strengere milieuregels, betere waterzuivering en natuurherstel. Het resultaat is een sterk verbeterde waterkwaliteit waardoor soorten zoals de zalm terugkeerden.
Vervuiling veroorzaakt niet alleen directe sterfte, maar ook minder voortplanting, instabiele ecosystemen, meer ziekten, verlies van leefgebieden en ontwrichte voedselketens.
Daardoor kan biodiversiteit langdurig en soms onomkeerbaar afnemen.
Vijfde driver – invasieve soorten
In water kunnen invasieve soorten zich snel verspreiden en de biodiversiteit aantasten. Ze verstoren ecosystemen, verdringen inheemse soorten en brengen nieuwe ziekten mee. Een voorbeeld is de Amerikaanse rivierkreeft die veel in Nederlandse plassen en sloten voorkomt en de kreeftenpest verspreidt.
Van bedreigingen naar kansen
Wat voor kansen liggen er voor bedrijven om met producten en diensten de biodiversiteit in zoet water in Nederland te beschermen, herstellen of verbeteren?

Voor verschillende sectoren tonen we deze kansen in de afbeelding hierboven. Om een brug te slaan naar investeren is per oplossing ook een bekend beursgenoteerd bedrijf vermeld dat in Europa actief is. In Amsterdam zijn bedrijven als DSM-Firmenich, AkzoNobel, Wavin, Boskalis, ING Group en Ahold Delhaize genoteerd.
Zo ontwikkelt Wavin systemen voor regenwateropvang, wateropslag, hergebruik, afvoer en filtratie. Wavin werkt met blue-green oplossingen waarbij water en natuur worden samengebracht. Een TreeTank systeem is een mooi voorbeeld als een slimme stedelijk oplossing die bomen, waterbeheer en bodemstructuur combineert. Het systeem zit onder de grond en bestaat uit een structuur van kratten rondom boomwortels. Het vangt regenwater op van straten en daken, geeft water langzaam af aan de boom, beschermt wortels en geeft ruimte om te groeien. Het regenwater wordt op deze manier benut en de levensduur van stadsbomen verlengd volgens Wavin.

In private markten is regeneratieve landbouw een aantrekkelijke categorie om in te investeren. De bodem neemt bij deze vorm van landbouw door het plaatsen van ‘cover crops” meer regenwater op en geeft het langzaam af aan planten en grondwater. Hierdoor is er minder droogtestress, meer grondwateraanvulling en minder piekafvoer bij regen.
Daarnaast leidt regeneratieve landbouw tot een betere waterkwaliteit, want je hebt in vergelijking met conventionele landbouw minder pesticiden en meststoffen die in het water komen. Regeneratieve landbouw heeft zodoende niet alleen positieve effecten voor de boeren en biodiversiteit, maar bijvoorbeeld ook voor drinkwaterbedrijven vanwege lagere zuiveringskosten en de samenleving als geheel.
Naast regeneratieve landbouw kun je ook denken aan duurzame bosbouw. Een voorbeeld hiervan is het SLM Silva Europe Fund dat veel investeringen heeft in land en rivieren rond waterbronnen. De bossen leiden net als bij regeneratieve landbouw tot betere infiltratie in de bodem en minder afstroming van water. Een betere bodem leidt tot hogere en stabielere opbrengsten op termijn. De biodiversiteit wordt verbeterd en de klimaatbestendigheid neemt toe.
Als laatste noemen we investeringen in waterinfrastructuur. Dit kan klassiek zijn, zoals waterzuiverings- ontziltingsinstallaties, maar ook nature-based zoals wetlands en overstromingsvlaktes. Combineren kan ook. Wetlands waar afvalwater doorheen stroomt nadat het grove werk door een waterzuiveringsinstallatie is gedaan bijvoorbeeld. Of het Franse merk Vittel van gebotteld mineraalwater dat boeren betaalt om waterkwaliteit te beschermen in het stroomgebied.
“en de zon wordt er langzaam in grijze, veelkleurige dampen gesmoord, en in alle gewesten wordt de stem van het water dat leven mogelijk maakt gezocht en gehoord”.

